Een prachtig verhaal over het Rozenprieel uit het boek “Geluk was niet gewoon” geschreven door Koos Snijder.

“Geluk was niet gewoon
Merensplein nummer 7, Haarlem 1978.
Buurvrouw ‘tante’ Bep naast ons was een echte Rozenprieeler (wijkbewoner), ze deed schoonmaakwerk in de keuken van de Mariastichting en waste groenten. Haar echtgenoot, ‘ome’ Frans was een simpele, “Oost-Indisch dove” man waarmee je geen goed gesprek kon aangaan, tenzij je uitsluitend zijn prietpraat wilde aanhoren dat nergens op sloeg. Toch kreeg ik het bij hem voor elkaar dat we elke zaterdagmorgen samen het hele pleintje gingen schoonvegen waarbij de schoffies uit de buurt ons uitscholden voor ‘stomme mongolen’. Frans was kinderlijk en licht autistisch, zag er vaak onverzorgd uit maar was dol op een beetje aandacht, zat je even rustig in de tuin dan kwam hij direct de keukendeur uit en ging op de zelfde hoogte zitten voor een praatje pot. Zijn verhaal was dan vaak eenrichtingsverkeer naar jou toe.
Frans werkte als ‘waterhulp’ op een binnenvaartboot dat watermonsters schepte voor laboratoriumonderzoek. “Ik ben rijksambtenaar hoor!” Zei hij vol trots als je naar zijn werk vroeg. Het was nog waar ook. Frans had hobby’s waaronder een complete treinbaan van Lego op zolder en filmen, meestal waren dat opnames van tante Bep met de katten op schoot, met de katten in de tuin op de vensterbank en andere schokkende onscherpe opnames met Bep en haar katten in de hoofdrol. Tante Bep rookte als een ketter, ze had een hart van goud en dol op ‘nijverheidkunst’, gemaakt met ministeck. Ze maakte kleurige plaatjes uit voorbeeldboekjes die ze vol trots voor het raam ophing om te showen voor het hele pleintje. Zo had ze voor kerst een brandende kaars gefröbeld tussen groene takken en rode ballen die wekenlang tentoongesteld werd. Om het beeld compleet te maken had ze zelf een passende tekst er onder gezet van: “25 DEZEMBER!”. Ze was kinderloos, zelf een kind van de eenvoud en dol op onze kinderen waar ze als dat nodig was graag op paste als wij een verjaardag s’avonds hadden. Het nadeel was dat ze rookte en dan pafte ze de hele avond achterelkaar halfzware shag voor de televisie. Dat roken vonden we toen niet zo erg, ik hield zelf ook van een sigaartje. Alcohol drinken deed ze niet. Wanneer we laat in de avond van de verjaardag terugkwamen en nog eventjes gezellig met haar nazaten met een glaasje fris, bleef ze driftig doorpaffen tot we uiteindelijk tegen haar zeiden we dat we nu echt naar bed wilden, draaide ze nog onverstoorbaar een nieuw ‘shaffie’ met de opmerking: “Ga dan maar alvast, ik kom er straks wel uit hoor.” Als Bep jarig was werden we met de kinderen uitgenodigd voor koffie en gebak, waarbij ook haar drie katten Moortje, Mimi en Pino op een eigen gebakje netjes op een schoteltje werden getrakteerd. De katten waren haar ‘kinderen’, gretig likten ze de slagroom van de moorkoppen af en negeerden de chocolade-bol.

Frans en Bep waren lid geworden van een carnavalsvereniging de ‘Muggenzwerm’ in het buurthuis de Drie Punten waar Frans bij gebrek aan tegenkandidaten tot prins Carnaval was gekozen. Frans hield wel van een biertje maar was matig, ik heb hem nooit dronken gezien. Ze hadden wel de gewoonte als ze in vol ornaat verkleed waren bij ons op nummer 7 aan te bellen om zich te laten bewonderen. Ze zagen er meestal niet uit, Bep kon zich totaal niet opmaken ze leek het meest op een vrouwelijke pierrot met de lippenstift ruim om haar mond gesmeerd. Onze kinderen stikten stiekem van het lachen en helemaal toen we ze overlaadden met valse complimenten. “oh Bep wat ben je mooi!” dan straalde Bep! Na een aantal jaren kreeg Bep helaas longkanker waar ze na een lang ziekbed beneden voor het raam tussen de ministeck en legpuzzels met poezen-plaatjes overleed. Ze had Frans plechtig laten beloven goed voor haar dieren te zorgen als zij er niet meer zou zijn. Maar na haar overlijden liet Frans haar geliefde katten inslapen, haalde de ministeck-werkjes van de ramen en de overgordijnen gingen dag en nacht dicht voor pottenkijkers. Hij kreeg het erg druk met contactadvertenties. Af en toe zagen we een glimp van een schuw vrouwtje in de achtertuin die weer vlug naar binnen vluchtte als je haar zag. Meestal was het niets bijzonders maar Frans had kennelijk wat schade in de liefde in te halen tot op de dag dat hij onherkenbaar keurig in het pak bij ons aanbelde en vertelde dat hij verkering had en ging verhuizen. Keurig geknipt, zijn dunne grijze haar met gel in een scheiding gekamd en in een walm eau de toilette van Paco Rabanne vertelde hij ons verder dat hij een lief vrouwtje gevonden had. Zijn ‘verdriet’ over Bep duurde slechts een maand. De gordijnen en ramen gingen weer open en na tante Bep verdween ook ome Frans uit ons leven op het Merensplein. Niet lang daarna verhuisden we naar de Krokusstraat.”
Uit zijn boek: Geluk was niet gewoon